• 19.01.2011
    Bladeren

  • Bladeren

    Het hier gepresenteerde sprookje is een vrije vertaling van The Little House van Virginia Lee Burton.






    Er was eens een huisje
    op een dijk midden in het IJ,
    vrij ver van Amsterdam.
    Het huisje had een mooie tuin
    en een nog mooier wit hek.
    Het was een geliefd huisje
    bij de Oosterdoksluis.
    “Er zullen hier altijd familie en vrienden komen
    Voor de mooie tuin, de gezelligheid,
    en moeders lekkere eten”,
    vertelde de eigenaar van het huisje
    aan de sluiswachter.
    “Dit huisje zal nog meemaken
    dat de achter-achterkleinkinderen van ons
    en onze vrienden hier voor een gezellige avond bij elkaar komen”


    Het huisje was heel tevreden:
    vanaf de kop van haar dijk
    keek zij naar haar bewoners
    en hun gasten.
    De scheepsbouwers,
    die ’s ochtends voor een kopje koffie kwamen,
    de scheepslui, die langskwamen
    met nieuws vanuit verre landen
    terwijl ze wachtten tot de sluis open ging.
    Uitnodigend en sympathiek
    van ’s ochtends tot ’s avonds.
    De ene dag volgde op de andere,
    en iedere dag was net een beetje anders dan de vorige
    maar het gevoel van gastvrijheid en gezelligheid bleef.

    Het huisje
    verveelde zich nooit.
    Het spoor werd gebouwd,
    meer gebouwen,
    meer bedrijvigheid.
    De stad kwam langzaam dichterbij
    en het huisje genoot daar zichtbaar van.
    De bouw van het reusachtige Centraal Station,
    de steeds groter wordende scheepsbouw,
    en natuurlijk het statige marine complex
    aan de overkant van het water.
    Alles zorgde voor meer mensen,
    meer activiteit.

    In de lente en in de zomer
    zaten mensen op haar veranda
    en in haar groene kleurrijke tuin,
    genietend van het weidse uitzicht
    en het gelach van familie en vrienden.
    Weer andere mensen zaten aan een,
    verse en uitgebreide maaltijd.
    In de herfst en in de winters
    zat men bij de open haard.
    Er werd gedanst,
    gekaart,
    er werden diepzinnige gesprekken gevoerd.
    Het huisje was volkomen gelukkig en dacht:
    “Beter dan dit kan het niet worden”.


    Op een dag
    zag het huisje
    verbaasd een brug
    tussen haar en het Oosterdokseiland verschijnen.
    Er kwam een weg onder het spoor,
    de scheepsbouw verdween langzaam.
    Nieuwe bedrijven en boten kwamen er voor in de plaats.
    He werd langzaam rustiger op het water.

    Op een dag kwamen er allemaal grote wagens,
    met containers en mannen met helmen.
    Het huisje werd uit elkaar gehaald en in de containers gegooid.
    Voordat het huisje het doorhad waren zij
    en haar prachtige witte hek verdwenen.
    De dijk bleef helemaal alleen achter.
    Al gauw kwamen er landmeters
    die over de dijk een rechte lijn aftekenden.
    Er kwam een graafmachine die een gat groef in de dijk
    recht door de eens zo prachtige tuin.
    Kiepwagens verschenen en het gat werd groter en dieper.
    Een tunnel werd onder het IJ gelegd.
    Vrachtwagens met zand stortte het gat weer dicht
    van de prachtige tuin was niets meer over
    en het huisje was weg.

    De dijk bleef eenzaam en alleen achter.
    Bedrijven verdwenen en het werd stiller en stiller.
    De dijk was eenzaam en treurig,
    vol weemoed dacht hij terug aan het huisje
    en die prachtige tuin, ja die prachtige tuin,
    et al die mensen en al die gezelligheid.
    De dijk was bedroefd maar ook sterk,
    van binnen bleef het een sterke dijk.

    De dijk werd eenzamer en eenzamer.
    Op de eilanden rondom de dijk
    verschenen grote
    en nog grotere gebouwen.
    De stad werd drukker en drukker.
    Het leek wel alsof
    men de dijk was vergeten.
    Want op de dijk bleef het stil.
    Maar toen besloot de stad
    dat er iets met de dijk moest gebeuren
    en men dacht meteen weer aan het huisje.
    Want iedereen kende de verhalen
    van zijn grootouders
    over het huisje
    met het hek
    en de mooie tuin
    op de dijk.

    Op een dag waren de grote wagens terug,
    met containers en mannen met helmen.
    Eerst werd de dijk bang
    maar toen hij zag
    wat er uit de containers kwam
    begon hij te glimlachen.
    De tuin werd in ere hersteld
    en het huisje werd weer in elkaar gezet.
    Voordat de dijk het door had
    stond het huisje er weer
    met zijn mooie tuin
    en zijn nog mooiere witte hek.


    In de lente ziet het huisje
    het gras en de bomen langzaam groen worden.
    De krokussen, narcissen en tulpen steken
    hun kopjes naar boven.
    Jonge kinderen spelen tussen de bomen
    en wijzen naar de eerste bootjes van het jaar.
    Ouders zitten in de tuin
    en genieten van de lente zon.
    Op een zwoele zomeravond luisteren de mensen
    naar de conservatoriumstudenten
    die optreden op het terras.


    Als de bladeren van de bomen vallen
    wordt de tuin winterklaar gemaakt.
    Als het buiten sneeuwt
    zit men binnen
    voor het raam
    met uitzicht over het water.
    De muziek speelt
    en het winterbier van het huis staat op tafel.
    Als het trio begint aan de tweede set,
    swingen de serveersters
    met borden vol vers bereid eten
    door het huisje.
    Het huisje is volkomen gelukkig
    en de dijk glimlacht zoals de dijk nog nooit
    geglimlacht heeft.